De schommel
In de jaren vijftig ging ik vaak als kind op bezoek bij mijn oma en opa in de Tweede van Swindenstraat. We namen de bus en tram vanaf de Jan van Galenstraat, een hele reis naar het oosten van de stad. Het was een ander soort Amsterdam daar — drukker, volkser, met de geur van markt, vis en kolenlucht in de smalle straten.
Waar de Eerste van Swindenstraat breed was, met winkels en doorgaand verkeer, bleef de Tweede van Swindenstraat een smalle woonstraat, bijna besloten, met alleen plaatselijk verkeer. Halverwege werd de straat doorkruist door de Dapperstraat en het Dapperplein, waar de markt dagelijks volop leven bracht. Die markt was een wereld op zich — koopmannen die luid hun waren aanprezen, vrouwen met boodschappennetten, en bij de visboer lagen de palingen nog tussen het ijs te glibberen.
Drie hoog
Oma Bets en opa Evert woonden drie hoog, in een woning die uit het eind van de negentiende eeuw stamde. De trap was smal en steil, met versleten treden. Boven was een kleine woonkamer, een eenvoudige keuken en een slaapkamer die eigenlijk te krap was voor twee mensen. Toch voelde het er warm en vertrouwd. Voor de kleinkinderen was het geen straf om daar te komen. Integendeel, het was een feest. Op de zolderverdieping liep een smalle gang met aan het einde een oude balk, waaraan een touw hing met een plankje — een schommel! Daar kon je urenlang op heen en weer zwaaien.
Soms gingen we ook naar buiten. Even naar het Muiderpoortstation om de treinen te zien vertrekken, of naar de Dappermarkt waar altijd iets te beleven viel. De stemmen van de kooplui, het geklep van houten kisten, de geur van haring, paling en vers fruit — het hoorde allemaal bij dat stukje Amsterdam.
De buurt van toen
De Tweede van Swindenstraat ligt in de Dapperbuurt, gebouwd aan het eind van de 19e eeuw als arbeiderswijk voor de snel groeiende stad. De huizen waren klein, de voorzieningen beperkt, en de straten levendig. Tijdens de crisisjaren van de jaren dertig leefden veel gezinnen er in armoede, maar er heerste ook saamhorigheid — iedereen kende elkaar. De Dappermarkt, officieel geopend in 1910, groeide na de oorlog uit tot een van de bekendste markten van Amsterdam. Na de laatste vernieuwing zijn er nog ruim 180 kramen.
In de jaren vijftig was het een bonte mengeling van handelaren, huisvrouwen en kinderen. Voor velen was het meer dan een markt: het was een ontmoetingsplek, een levend hart van de buurt. Toen gezinnen aan het eind van de jaren vijftig verhuisden naar de nieuwbouw in West en Nieuw-West, veranderde het karakter van de wijk. Maar voor wie er zijn jeugd heeft doorgebracht, blijft het beeld bestaan van dat bruisende stukje Amsterdam — waar de geur van paling, de roep van de marktkoopman en het gekraak van de houten trap horen bij de herinnering aan een eenvoudig, maar warm bestaan.
De Tweede van Swindenstraat
De Tweede van Swindenstraat ligt in het hart van de Dapperbuurt, een wijk in Amsterdam-Oost die aan het einde van de negentiende eeuw ontstond tijdens de grote stedelijke uitbreiding buiten de oude Singelgracht.
Tot ver in de jaren 1870 lag dit gebied nog grotendeels buiten de bebouwde kom: weilanden, slootjes en een enkele fabriek of tuinderij. Pas toen de bevolking van Amsterdam explosief groeide, besloot de stad om nieuwe woonwijken te ontwikkelen ten oosten van de oude stad — tussen de Mauritskade, het spoor naar Muiderpoort en de nieuwe Insulindeweg.
De Van Swindenstraten verwijzen naar Jean Henri van Swinden (1746–1823), een beroemde natuurkundige en wiskundige die een grote rol speelde in de invoering van het metrieke stelsel in Nederland.
Omdat de straat te lang werd bevonden, besloot men haar te splitsen: zo ontstonden de Eerste en Tweede Van Swindenstraat.
De Eerste Van Swindenstraat werd een bredere winkelstraat en doorgangsroute richting de Molukkenstraat en de Linnaeusstraat. De Tweede Van Swindenstraat daarentegen werd smaller, meer besloten, en behield altijd het karakter van een woonstraat. De huizenblokken bestonden uit kleine huurwoningen, vaak driehoog, gebouwd voor arbeiders en kleine ambachtslieden. Ze hadden eenvoudige voorgevels, smalle trappen en zolders die vaak door meerdere bewoners werden gedeeld.
Rond 1900 was de buurt dichtbevolkt. Arbeiders uit heel Nederland trokken naar Amsterdam voor werk in de spoorwegen, de scheepswerven en de Oostelijke havens. In de Tweede Van Swindenstraat woonden bakkers, timmerlieden, havenarbeiders, weduwen met kinderen, en kleine handelaren. Veel gezinnen leefden er met vijf of zes mensen in twee kamers. De straat was smal, het verkeer beperkt tot handkarren en fietsen.
Tijdens de crisisjaren van de jaren dertig verslechterden de leefomstandigheden sterk. De huizen verouderden snel, er was vocht, schimmel en weinig onderhoud. Toch bleef het een buurt met een hechte gemeenschap. De Dappermarkt, die sinds 1910 officieel was ingesteld, zorgde voor leven en handel; het was de plek waar bewoners elkaar ontmoetten en waar de straat letterlijk rook naar vis, fruit en verse bloemen.
De Tweede Wereldoorlog liet diepe sporen na in de buurt. Veel bewoners van de Indische Buurt, waaronder joodse families, werden weggevoerd. Na de bevrijding bleef armoede overheersen, en veel woningen verkeerden in slechte staat. Toch keerden gezinnen als dat van mijn oma Bets en opa Evert juist in die tijd terug naar zulke huizen — niet uit luxe, maar uit noodzaak.
Bronnen:
Familiearchief
Beeldbank Amsterdam
Wikipedia
Stadarchief Amsterdam

Tweede van Swindenstraat zoals die nu is.
![]()