Jan La Grouw (1784-1831): Een leven in schaduw en naald
De ochtendmist hing als een zilveren sluier over de velden. Kleine Johannes – Jan voor de meesten – stond op zijn klompen aan de rand van het erf en keek naar de rijen kool en aardappelen die zijn vader verbouwde in de zompige grond. In de verte galmde de klok van de grote dorpskerk, het hart van Naaldwijk, en een vertrouwd geluid voor een jongen van zeven.
Hij was nog maar vijf toen zijn moeder, Hester, stierf. De dagen daarna waren stil in huis, ondanks de aanwezigheid van zijn oudere broer Philip en zijn zusje Jannetje. Vader, Philippus senior, hertrouwde snel met Teuntje Sonderwijk, een stevige vrouw met kordate handen. Ze was niet lief, maar ook niet hard. Gewoon een vrouw die wist hoe je een gezin draaiende moest houden, zeker als er verdriet bleef hangen in de hoeken van de kamer.
Jan was een stille jongen. Hij hield van het geluid van ruisend riet aan de waterkant en van de geur van vers gewassen linnen dat zijn stiefmoeder ophing aan de lijn. Maar toen hij dertien werd, stierf ook Teuntje. Het huis was opnieuw stil. Zijn vader werd magerder, grijzer, zwijgzamer.
Er was niemand meer die echt keek of Jan zijn brood opat of zijn hemd tijdig gewassen had. En zo begon hij te dromen – van een leven buiten het dorp, van boten op de Maas, van zeilen, havens en ander land.
Tegen zijn zestiende was hij aan boord gegaan van een vrachtvaarder, als knecht. Hij leerde touwen binden, vaten sjouwen, en hoe je een storm moest negeren tot je voeten weer vaste grond voelden. En zo kwam hij, jaren later, aan in Amsterdam – nat, vermoeid, maar met genoeg ervaring om werk te zoeken.
Jaren later, als Jan inmiddels is getrouwd met Femmetje en Willem en Geertje zijn geboren, hield Jan het hoofd boven water met het naaien van kleren. Er moest geld op de plank komen om te kunnen eten. Het leven in de Jordaan was zwaar. Op een dag, in 1820, nemen we jullie even mee naar het krot van de familie La Grouw in de Jordaan….
Stille herinnering
Het was nog schemerig in de vroege ochtend toen Jan zijn ogen in het krappe huurkamertje in de Goudsbloemstraat in de Jordaan. Een koude tocht trok onder de deur door, een stille herinnering aan het vochtige Amsterdamse klimaat. Zijn vrouw Femmetjelag nog naast hem, haar ademhaling zacht en onregelmatig. Buiten kraakten de houten wagens al over de kinderkopjes van de straat.
Jan had het vak van kleermaker geleerd. Misschien eerst als loopjongen, daarna als leerling, totdat hij zelf met vaste hand de naald voerde.
Hij stond op, maakte een klein vuur in de ijzeren kachel met wat turf en oud hout, en zette een pot met water op. Er was weinig in huis, zeker sinds Femmetje ziekelijk werd. Hij maakte pap van wat haver en water, dik en kleverig, maar voedzaam genoeg om de ochtend te beginnen. De kinderen – Willem en Geertje – zouden straks wakker worden en zich verzamelen rond het vuurtje.
Zijn werkdag begon al vroeg aan het stoffige raam, waar het natuurlijke licht het best viel. Op de tafel lagen lappen grof laken en linnen, een paar loden gewichten, een vingerhoed, garens en zijn schaar – het belangrijkste gereedschap van zijn vak. Hij werkte voor anderen, soms voor een kleermakersbaas, soms op bestelling van buurtbewoners die voor een paar stuivers hun kleren wilden laten herstellen. Het werk was monotoon maar veeleisend. Nauwkeurigheid was alles.
Johannes werkte gebogen, met gespannen rug en brandende ogen. Een warme jas voor een havenarbeider, een gestikte broek voor een melkboer. Soms een kinderrokje, dan weer een kerel die op zondag netjes voor de dag wilde komen. Hij luisterde naar de verhalen van zijn klanten – over stakingen aan de haven, over verhoging van de turfprijs, over ziekte en kinderen die in het gesticht belandden. Maar zijn eigen verhaal hield hij vaak voor zich.
Rond het middaguur at hij wat restjes brood met spekvet, als dat er was. Femmetje kwam dan even bij hem zitten, vermoeid van haar schoonmaakwerk bij een gegoede familie verderop in de grachtengordel. Haar hoest was hardnekkig en klonk rauwer de laatste tijd. Ze spraken zachtjes over de kinderen, over de huur, over hoop en zorg.
In de namiddag kwamen Willem en Geertje thuis, vaak met zwarte nagels van het spelen in de straat of een klusje voor een paar stuivers. ’s Avonds, als het licht vervaagde en het werk moest rusten, brandde er nog wat kaarslicht. Hij zat dan met zijn naaiwerk op schoot, turend of er nog een zoom kon worden afgemaakt. Soms, als er geld was, gingen ze naar de markt op de Lindengracht voor vis of uien. Meestal echter bleven ze binnen. De kou, de natte lucht en de ziekte hielden hen binnen.
Buitengasthuis
Na de dood van Femmetje in 1823 bleef Jan alleen achter met drie jonge kinderen. Zijn gezondheid, al broos van aard, verslechterde verder. De spanningen van het dagelijks bestaan – de zorgen om voedsel, onderdak, en het lot van zijn kinderen – wogen zwaar. In het jaar 1824 werd hij voor het eerst opgenomen in het Amsterdamse Gasthuis. Niet lang daarna volgde een tweede opname, begin 1825. De stad registreerde hem als “patiënt” – maar in werkelijkheid was het een vorm van stedelijke opvang voor wie niets of niemand meer had.

Het Buitengasthuis in de 19e eeuw.
Het Buitengasthuis was aanvankelijk een quarantainegebouw, opgericht in de 17e eeuw ten tijde van pestepidemieën. In de 19e eeuw fungeerde het als een verzorgingsinrichting voor langdurig zieken, chronisch verzwakten en armlastigen zonder sociaal netwerk. Zoals uit de gemeentelijke rapporten blijkt, verbleven er vaak meer dan 500 patiënten tegelijk, met slechts enkele artsen in dienst. Verpleging werd grotendeels verzorgd door zusters van de katholieke congregatie en dienstmeiden in loondienst van de stad.
Jan verbleef er vermoedelijk in de grote mannenzaal. In een stadsrapport van 1825, het jaar van zijn tweede opname, wordt het interieur van het Gasthuis als volgt omschreven:
“De mannenzalen zijn ingericht met houten britsen, waarop strozakken gelegd zijn. Gordijnen ontbreken. Het voedsel bestaat doorgaans uit roggebrood, pap, en eenmaal daags een lepel warme spijs. Medicamenten zijn karig toegediend, en niet zelden ontbreken de middelen geheel” (Verslag van den Stadsdokter, 1825).

Slaapzaal Buitengasthuis
Binnen in het Gasthuis heerste stilte, afgewisseld met gekreun, gehoest en soms gesmoorde gebeden. Patiënten lagen op houten britsen in lange zalen, gescheiden door eenvoudige gordijnen. Er waren weinig bedden met matrassen; wie geluk had kreeg een strozak. De verzorging was minimaal. De stad leverde een rantsoen van waterige pap, brood, en af en toe wat bouillon. Verpleging werd verricht door een handvol stadsbedienden en enkele religieuze zusters. Artsen kwamen sporadisch langs, vaak met meer afstand dan betrokkenheid.
Voor Jan moet het een harde omgeving zijn geweest. Zijn handen, ooit vertrouwd met de zachte weefsels van laken en wol, lagen nu stil onder een ruwe deken. De uren vulden zich met herinneringen: het gezicht van Femmetje, het geluid van kinderstemmen, de geur van zeezout en de stemmen in de steeg. Wat er van zijn kinderen geworden was wist hij misschien niet eens. Bezoek was schaars, post zeldzaam. Veel patiënten raakten in het Gasthuis uit de tijd – niet alleen van het leven, maar ook van de wereld buiten.
‘Verlatenheid’
Uit een verslag van een arts uit 1830 lezen we het volgende:
“De patiënten zijn vaak in geestelijke verlatenheid. Slechts weinigen ontvangen bezoek, en een aantal is niet meer aanspreekbaar. Vele sterven zonder dat iemand hun naam nog kent.“
We weten niet of Jan bezoek kreeg. Zijn kinderen – Willem, Geertje en Hendrika – waren op dat moment nog niet zelfstandig. Misschien dat Willem al aan het werk was en wellicht waren zij inmiddels al opgenomen in een stadsweeshuis of ondergebracht bij verre familie. Jan’s dagen moeten gevuld zijn geweest met herinneringen aan het verleden: de geur van textiel in zijn armoedige huiskamertje, het zachte lachen van Femmetje, de kinderstemmen op de binnenplaats van hun woning.
Zijn fysieke toestand ging ondertussen verder achteruit. Hij leed vermoedelijk aan tuberculose of een chronische longaandoening – aandoeningen die in de koude, vochtige zalen van het Gasthuis welig tierden. Een stadsdokter noteerde in 1831, het jaar van Jan’s overlijden:
“De sterfgevallen in het Buitengasthuis zijn talrijk, vooral onder hen die reeds verzwakt zijn bij binnenkomst. De toestand van het gebouw draagt niet bij aan herstel: men sterft er langzaam, in stilte.”
De dagen verliepen volgens een strak ritme: opstaan bij zonsopkomst, een kommetje ontbijt, inspectie door de opzichter, uren wachten op niets. Sommigen van de zieken gingen zitten haken, anderen prevelden eindeloos Psalmen. Er was weinig privacy, weinig warmte, en nog minder hoop.
De dood komt in stilte
In de lente van 1831 was Jan’s kracht vrijwel volledig verdwenen. Buiten raasde de stad voort. In kranten verschenen berichten over een nieuwe ziekte uit het oosten: cholera. In de ziekenzalen van het Gasthuis betekende dat niets nieuws. Daar stierf men al aan allerlei kwalen: tuberculose, tyfus, longontsteking, of gewoon uitputting.
Op 2 juni 1831, in een houten bed in een zaal met twintig anderen, blies Jan La Grouw zijn laatste adem uit. Geen familie was erbij. Er werd een notitie gemaakt in het overlijdensregister van Amsterdam. Een eenvoudige begrafenis volgde, waarschijnlijk op het kerkhof van het Gasthuis zelf, waar graven vaak ongemerkt verdwenen in de grond of werden hergebruikt.
Het leven van Jan was hard, zwaar, moeilijk en kort. Zijn verhaal staat synoniem voor veel van onze voorouders. Vooral die uit Amsterdam.
Het gezin van Jan en Femmetje:
Johannes La Grouw, geb. Naaldwijk 1784, Zeeman, kleermaker., † Amsterdam 2 juni 1831, zn. van Philippus Lagrouw (Grauw) en Hester van der Horst, tr. Amsterdam 12 juli 1815 Fennegien (Femmetje, Vennegie) Douwes Aukes, geb. Nieuwendam okt. 1784, ged. Amsterdam 13 okt. 1784, † ald. 19 okt. 1823.
Uit dit huwelijk:
1. Willem La Grouw, geb. Amsterdam 17 aug. 1815, † ald. 20 maart 1889, tr. Amsterdam 3 aug. 1842 Maria Jesse, geb. Amsterdam 24 jan. 1817, † ald. 2 jan. 1881, dr. van Coenraad en Maria Gussenaar.
2. Geertje La Grouw, geb. Amsterdam 29 april 1817, † ald. 2-11-1836.
3. Hendrika La Grouw, geb. 15 juni 1821, † ald 25-11-1904
![]()