Zakken van 60 kilo op zijn schouders
Willem La Grouw werd geboren op 17 augustus 1815 in Amsterdam, in een tijd waarin de stad piepte en kraakte onder de last van de armoede, ziekte en sociale ongelijkheid. Zijn vader, Jan La Grouw, afkomstig uit Naaldwijk, werkte als kleermaker, maar leidde een broos bestaan. Zijn moeder, Femmetje Douwes uit Nieuwendam, overleed al toen Willem nog maar acht jaar oud was. Acht jaar, en al moederloos.
Toen ook zijn vader bezweek aan ziekte in het Buitengasthuis in 1831, bleef Willem, nog geen zestien jaar oud, achter met zijn twee jongere zussen, Geertje en Hendrika. Er was geen familie die hen opving. Zoals zovelen belandden ze in het Diaconie Weeshuis. Een streng regime, karig eten, en harde tucht bepaalden hun jeugd.
Wat Willem deed tussen 1831 en 1842 is onbekend, maar waarschijnlijk begon hij al jong met werken — ergens aan de haven, tussen het graan, het stof, het zweet van andere armen. Jongens als Willem konden zich geen leertijd of ambacht veroorloven. De haven was hun lot.
Een Leven van Sjouwen
Toen Willem op 3 augustus 1842 in het huwelijk trad met Maria Jesse, dochter van Coenraad en Maria Gussenaar, stond hij al geregistreerd als korendrager. Hij had zijn plek gevonden tussen de mannen die elke dag zakken van zestig kilo op hun rug droegen, van schip naar pakhuizen, langs de kades van het Entrepotdok en de Brouwersgracht. Het was werk voor wie geen keus had. Een koppelbaas verdeelde het werk, het loon was karig, het lichaam versleten tegen de tijd dat je veertig was.
Willem woonde in de Korendragersgang op het Prinseneiland, een smalle steeg, volgestouwd met gezinnen. Zijn huis, vermoedelijk één of twee kamers, moest ruimte bieden aan een groeiend gezin. Maria schonk het leven aan tien kinderen — van wie er twee, beiden vernoemd naar hun vader, jong stierven. Overbevolking, slechte hygiëne en gebrekkige medische zorg eisten hun tol.
Toch groeiden de anderen op: Joannes werd timmerman, Coenraad trouwde tweemaal, Willem (de derde met die naam!) werd volwassen en overleefde zijn ouders. Dochters trouwden met ambachtslieden, een kistenmaker, een koperslager.
De familie verhuisde regelmatig, wat typerend is voor gezinnen in voortdurende bestaansonzekerheid. Ze woonden aan de Nieuwezijds Kolk, de Goudsbloemstraat, de Egelantiersstraat en de Jacobstraat — allemaal in de Jordaan en omgeving, waar de arbeidersklasse van Amsterdam leefde. Kleine woningen, geen stromend water, een ton als toilet, kacheltjes die in de winter nauwelijks warmte gaven. Zomers bracht stank en ziekte, winters bracht kou en honger.
Maria, zijn vrouw, stierf in 1881. Ze was 63. Willem leefde haar nog acht jaar na, tot hij in maart 1889 zelf overleed, 73 jaar oud. Een eerbiedwaardige leeftijd voor iemand die zijn leven lang sjouwde.
Willem La Grouw was geen beroemd man. Geen uitvinder, geen politicus, geen schrijver. Maar hij was een van de duizenden anonieme Amsterdammers die de stad draaiende hielden. Hij werkte, voedde kinderen op, verloor kinderen, hield stand. Zijn leven speelde zich af in de marge van de stad, in gangen en stegen, tussen de schepen en pakhuizen, de korenzakken en steigerhout.
Hij was het cement tussen de stenen van de stad. En daarmee verdient hij zijn plek in onze herinnering.
![]()