“Een jongen”, wordt gefluisterd. En er vloeit een traantje
Op zondag 16 januari 1949, om half drie in de middag, werd de stilte in de bovenwoning aan de Jan van Galenstraat doorbroken door een klein huiltje. Het was fris buiten, maar binnen – hoe klein en vol ook – hing een warmte die je niet met de kachel kon verklaren. Leo, kantoorklerk met een net iets te serieuze blik, stond naast het bed en keek ontroerd naar de pasgeboren baby. Mijn moeder, Annie (zeg maar An), drukte mij tegen haar aan.
“Een jongen,” fluisterde de kraamverzorgster, bijna plechtig.
Leo haalde even diep adem. Vier jongens inmiddels. Geen meisje, zoals mijn ouders altijd hadden gehoopt. Maar hij voelde het: dit kind was bijzonder, nou ja, bijzonder? Dat ook weer niet. Maar er vloeide een traantje. Van teleurstelling misschien, even. Maar vooral van blijdschap. Want hier was ik. Karel. Zo zou ik gaan heten. Karel, de naam van mijn net overleden grootvader.
Toevluchtsoord

Jan van Galenstraat in Amsterdam, nog voor de Tweede Wereldoorlog.
De woning aan de Jan van Galenstraat telde officieel 53 vierkante meter. Dat cijfer staat in de papieren, maar in werkelijkheid was het minder. Want waar ruimte was, stonden bedden, stoelen of dozen. Het huis ademde het geluid van tien mensen tegelijk: broertjes, ooms, tantes, neefjes en nichtjes, opa en oma…..Onze bovenwoning was een toevluchtsoord voor onze familie, die smachtten naar een eigen woning. Woningen, die ook in 1949 nog ontzettend schaars te vinden waren.
Als baby merkte ik er niets van. Ik lag in mijn wiegje, veilig onder een wollen dekentje. Zo was dat vroeger, een wollen dekentje. Uit de keuken kwam de geur van erwtensoep want ja, het was zondag… Boven, op de zolderverdieping, hing de was te drogen. Zo ook de kleine was voor de kolenhaard op een rekje.
“Vraag niet hoe het kan, maar zo ging dat,” zei mijn moeder wel eens.
Buurtwinkels

Kruidenierswinkel van Voortjes op nummer 151 waar de boodschappen werden gedaan. Bron: Beeldbank Amsterdam.
Buiten strekte de Jan van Galenstraat zich uit, vanaf de oude stad naar het westen, één van de toegangswegen naar het centrum. Een straat met driehoog-woningen, bakstenen muren en beneden de buurtwinkels. De slager die altijd mopperde en de jeugd op stang jaagde met zijn slagersmes: ‘Ik snijd die bal zo doormidden’, schreeuwde hij als er weer een voetbal tegen de winkelruit kwam. Verder de drogist, de kruidenier, stofzuigerwinkel en het café op de hoek, die ik nooit van binnen heb gezien. Dat kon ook niet. Want ik was pas 12 toen wij naar Heiloo verhuisden.
Ik groeide op in een straat waar langs de kant van de weg enkele geparkeerde auto’s stonden en in de avonduren je rustig op straat kon spelen totdat mams vanuit het raam op drie hoog ons riep: Eten!
Als mijn moeder brood ging halen in de Pieter van der Doesstraat, tilde ze de kinderwagen de trap af. Ik heb haar nooit zien kijken bij het sportpark, waar VVA speelde. Zij had niet zoveel met sport. Gek eigenlijk. Mijn vader was een grote sportliefhebber. Voetbalde, deed aan atletiek en schreef over sport. Waar zou ik dat toch van hebben, het geschrijf….

De draadomroep en het wasbord in de teil. Ook in ons huis in de Jan van Galenstraat.
In ons huis klonk het geluid dat uit de draadomroep, de luidspreker die naast de woonkamerdeur hing gekoppeld aan de schakelaar met vier standen. Hilversum 1, 2, Luxemburg Radio en nog een zender. BBC misschien. Daaruit klonken de stemmen van “Kleutertje Luister”. Het gejoel van kinderen buiten. En ’s avonds de Bonte Dinsdagavondtrein, met zijn vrolijke muziek, terwijl de familie dicht op elkaar zat. Luisterend naar de radio. Of de krant lezend, De Telegraaf, dat altijd het lijfblad van mijn moeder bleef. Tot in lengte van jaren.
Het is een beeld van een tijd waarin ik geboren werd, waarin mijn ouders opkrabbelden uit een zware periode. In de woning heerste blijdschap, maar ook af en toe nog de herinnering aan de naoorlogse jaren. Mijn vader had donkere jaren gekend, de oorlog had hem achtervolgd als een schaduw die moeilijk weg te vegen viel. Er werd niet over gepraat. Wij deden dat ook niet. Schaamte misschien, de angst die er was. De vernederingen. Toch ging de zon weer schijnen. Iedereen mocht mijn vader. Een lieve man, zo werd hij genoemd. Hij pakte zijn werk weer op, schreef over sport alsof het zijn redding was, alsof hij met elk artikel de verleden tijd een stukje kon bezweren.
Ik heb natuurlijk geen echte herinnering aan mijn eerste levensjaar. Dat kon ook niet. Maar er was wel heel veel liefde en warmte. Blijdschap, mooie beelden van een fijne toekomst. Mijn moeder zei altijd dat haar Leo en zij het al hadden over een autootje. En dat was al begin jaren 50.
In 1949 was Amsterdam nog vol littekens – de bunkers op het Museumplein, de lege plekken in de Jodenbuurt – maar in huize Frugte was er ook ruimte voor lachjes, voor een spelletje, voor een aai over een kinderhoofd.
Amsterdam ontwaakt

Slotermeer in opbouw. Bron: Beeldbank Amsterdam.
En ergens in die mengeling van verdriet en verwachting, van armoede en hoop, begon ik mijn leven, die de eerste 12 jaar zich afspeelde in de Jan van Galenstraat. In dat jaar 1949 werden op een paar honderd meter van ons huis, voorbij de Hoofdweg en het zwembad – het Jan van Galenbad – de landerijen voorbereid voor het grote uitbreidingsplan Slotermeer. Amsterdam ontwaakte. De stad van voor de oorlog stond op het punt te worden getransformeerd naar een voor Nederlandse begrippen echt grote stad met tienduizenden nieuwe woningen ten westen, noorden en zuiden van de bestaande bebouwingen.
De geschiedenis van de Jan van Galenstraat in Amsterdam begon in de jaren twintig van de vorige eeuw. De straat werd vernoemd naar de Nederlandse vlootvoogd Jan van Galen, die in 1653 sneuvelde in de slag bij Livorno tegen de Engelsen. Aanvankelijk kwam de straat niet verder dan de Admiraal de Ruyterweg en pas eind jaren twintig, begin dertiger jaren, werd de weg met de bijbehorende woningen verlengd naar het westen. Mijn ouders kwamen er in 1939 wonen. Op 25 mei, hun trouwdag.

Uitzicht op de sportvelden van VVA. Bron: Beeldbank Amsterdam.
Wie op de derde etage woonde had uitzicht op het sportpark waar VVA speelde en korfbalvereniging Blauw Wit ook haar domicilie had. Mijn jonge leven was zo beroerd nog niet. Maar in 1949 lag ik nog gewoon in de wieg. Slapend. En als het mij niet zinde, huilend. Zoals een goede baby betaamt. Mijn leven was begonnen. Op drie hoog achter.
![]()
