Diaconie Weeshuis plek van orde en gehoorzaamheid

Een boterham met kaas en een beker met licht bier

Diaconie Weeshuis aan de Amstel. Maker: Willem Hekking. Bron: Beeldbank Amsterdam

De regen viel zachtjes op de keien van de Herengracht. Willem La Grouw trok zijn jas wat dichter om zich heen, al bood die nauwelijks bescherming. Hij was zestien en voelde zich plotseling veel ouder, nu hij verantwoordelijk leek voor zijn zusjes. Geertje, veertien jaar, stapte zwijgend naast hem, terwijl Hendrika, de jongste van drie, met korte pasjes probeerde bij te blijven. Hun voeten waren nat en koud; de tocht naar het Diaconie Weeshuis aan de Amstel had meer weg van een stille stoet dan van een gewone wandeling.

Voor hen torende het brede gebouw van het weeshuis op, met zijn lange gevel en gesloten poort. Achter die poort zou hun nieuwe leven beginnen. Geen eigen huis meer, geen herinneringen aan de kleine kamer waar hun vader, Johannes, nog zo kort geleden gestorven was. De regenten van de Hervormde Gemeente hadden besloten dat de kinderen konden worden opgenomen. Er was geen geld, geen boedel, geen steun van familie behalve een verre tante met een kleine erfenis. Het lot van de La Grouw-kinderen lag nu in handen van de diaconie.

De poort zwaaide open. Een binnenplaats, omringd door hoge muren en ramen, strekte zich voor hen uit. Het rook er naar natte stenen en kool, gemengd met een muffe geur die de kinderen nog niet konden plaatsen. Binnen werden ze gescheiden. Willem werd naar de jongensafdeling gebracht. Geertje en Hendrika werden door een streng ogende vrouw richting de meisjesvleugel geleid. Hendrika keek nog één keer achterom, haar ogen groot van angst. Willem knikte haar toe, probeerde kracht uit te stralen, maar voelde zelf de knoop in zijn maag.

De kinderen kregen nieuwe kleren uitgereikt: eenvoudige stoffen, donker van kleur. Hun oude kleding werd ingenomen en opgeslagen, alsof ze ook hun verleden moesten afleggen. Daarna werden de meisjes naar een slaapzaal gebracht. Lange rijen kribben stonden tegen elkaar geschoven. Drie tot vijf kinderen sliepen samen in een bed; de lucht was zwaar en benauwd. Een meisje van ongeveer dezelfde leeftijd als Geertje keek hen nieuwsgierig aan, maar zei niets.

Geertje legde haar hand op de schouder van Hendrika.

‘We moeten stil zijn,’ fluisterde ze, terwijl de opzichter door de zaal liep.

Hendrika knikte, maar haar lip trilde.

Die avond aten ze voor het eerst in de grote eetzaal. Een boterham met dunne kaas en een beker licht bier. Voor Hendrika was het vreemd om bier te drinken, maar niemand leek het bijzonder te vinden. Geertje keek om zich heen: tientallen meisjes, allemaal in hetzelfde donkere gewaad, kauwend in stilte. Een enkele blik kruiste de hare, maar woorden werden er niet gewisseld.

Toen het licht doofde en de kinderen zich in hun kribben nestelden, kon Hendrika haar tranen niet langer tegenhouden. Geertje hield haar hand vast, fluisterde zachtjes:

‘Het komt goed. We hebben elkaar nog.’

Buiten klonk het zachte tikken van de regen op het raamkozijn. De eerste nacht in het Diaconie Weeshuis begon.

Dagelijks leven

De dagen in het Diaconie Weeshuis volgden elkaar op in een strak en voorspelbaar ritme. Elke ochtend klonk al vroeg de bel, nog vóór de zon haar eerste stralen door de hoge ramen wierp. De meisjes rezen uit hun kribben, slaperig en stijf van de kou. Er was geen tijd om te treuzelen: wassen, aankleden, bidden en in stilte naar de eetzaal.

Het ontbijt bestond uit een dikke boterham, meestal met een dun laagje kaas of reuzel, en een beker bier. Bier werd hier gedronken alsof het water was – veilig, want het water uit de grachten was vuil en ziekmakend. Hendrika trok een vies gezicht bij de bittere smaak, maar Geertje spoorde haar aan toch te drinken. ‘Het vult tenminste,’ fluisterde ze, en keek behoedzaam naar de opzichter die streng langs de tafels liep.

Na het ontbijt werden de kinderen verdeeld naar hun werkzaamheden. Voor de meisjes betekende dat lange uren in de werkzalen. Ze leerden naaien, stoppen en verstellen, maar ook spinnen en het uitvoeren van huishoudelijke taken. Geertje boog zich geconcentreerd over haar naald en draad; ze had al een vaste hand. Hendrika daarentegen liet zich snel afleiden en prikte geregeld in haar vingers. Dan kreeg ze een vermaning, soms een tik met de liniaal van de opzichter.

Jongens eetzaal Diaconie Weeshuis. Bron: Beeldbank Amsterdam

De jongens, zo wist Willem, werden elders ingezet: zij leerden hout bewerken, eenvoudige klussen verrichten of in de tuin werken. Soms kruiste hij kort de blik van zijn zussen op de binnenplaats, maar er was geen gelegenheid om te spreken. De scheiding tussen jongens en meisjes was streng.

’s Middags kwam er een warme maaltijd: peulvruchten, kool, wortelen of aardappelen. Soms was er wat saus of spekvet, zelden vlees. De kinderen aten snel, haast gulzig. Niemand wilde tekortkomen. Het geroezemoes van lepels en kommen vulde de zaal, maar gesprekken waren kort; stilte was de regel.

Na de maaltijd volgde opnieuw arbeid of lessen. Schrijven en lezen kwamen slechts mondjesmaat aan bod, vooral voor de meisjes. Voor de regenten was belangrijker dat zij later konden dienen in een huishouden dan dat ze boeken konden lezen.

Eén van de bladzijden van de boedelpapieren van het Diaconie Weeshuis met alle gegevens van de kinderen en hun overleden ouders. Bron: Stadsarchief Amsterdam

De avonden waren kort. Nog een eenvoudige maaltijd – vaak gortpap met karnemelk – en daarna gebeden. Daarna terug naar de slaapzalen, waar de muffe lucht bleef hangen en kinderen dicht opeen lagen.

Geertje merkte dat haar zusje vaak wakker lag.

‘Denk je nog aan thuis?’ fluisterde ze.

Hendrika knikte. ‘Ik mis vader.’

Geertje draaide zich naar haar toe en streek haar haar uit haar gezicht. ‘Ik ook. Maar we hebben elkaar. En Willem.’

Die woorden werden hun houvast. Want hoe eentonig de dagen ook waren, hoe zwaar het werk of hoe karig het eten, het was hun onderlinge band die hen door de dagelijkse sleur van het weeshuis droeg.

Discipline en straf

Het Diaconie Weeshuis was niet alleen een plek van onderdak en voeding, maar ook van orde en gehoorzaamheid. Voor de kinderen was het duidelijk: wie zich niet hield aan de regels, kreeg straf. De regenten en opzichters geloofden dat tucht en discipline noodzakelijk waren om de wezen te vormen tot nette, gehoorzame burgers – dienstmeiden, knechten, arbeiders.

De eerste keer dat Geertje een straf van dichtbij meemaakte, staat haar scherp bij. Een meisje uit de slaapzaal had stiekem wat brood achterovergedrukt, bedoeld voor haar jongere zusje die vaak honger leed. Toen dit ontdekt werd, werd het meisje voor de hele groep te pronk gesteld. Ze moest urenlang in de eetzaal blijven staan, met een houten bord om haar hals waarop haar overtreding geschreven stond. De andere kinderen mochten niet met haar spreken of haar aankijken.

Geertje voelde plaatsvervangende schaamte en angst. Ze wist dat iedereen honger had, dat het bijna onvermijdelijk was dat iemand een keer iets extra’s probeerde mee te nemen. Maar de regenten zagen het als diefstal, een zonde die streng gestraft moest worden.

Soms werd er een blok aan het been van een kind bevestigd, zodat het de hele dag met het zware gewicht moest rondlopen. Voor ernstigere gevallen volgde een lijfstraf: een harde hand of een stok. Hendrika hoorde eens in de verte het huilen van een jongen die zo gestraft werd. Die nacht kroop ze dicht tegen Geertje aan, haar kleine lijfje trillend.

Willem, bij de jongensafdeling, merkte dat de oudere jongens de regels soms uitdaagden. Zij kregen de zwaarste straffen, maar ook het respect van de anderen. Zelf hield hij zich stil; hij wist dat zijn zussen op hem rekenden en wilde niet het risico lopen hen helemaal te verliezen door verbanning of opsluiting.

Ondanks de straffen heerste er geen stilte van berusting. In de slaapzalen en werkruimtes klonk gefluister. Kinderen verzonnen kleine manieren om het systeem te trotseren: een draadje extra bewaren, een grap delen, elkaar stilletjes helpen. In dat verzet, hoe klein ook, zat iets van vrijheid.

Geertje keek vaak naar Hendrika en dacht aan hun vader. Wat zou hij zeggen als hij zijn kinderen zo zag, in uniform gekleed, onderworpen aan harde regels en straffen? Soms probeerde ze zichzelf voor te houden dat dit alles bedoeld was om hen te beschermen. Maar vaker voelde ze dat het weeshuis vooral de vrijheid uit hun kinderleven had weggenomen.

Herinneringen aan thuis

De dagen in het weeshuis waren strak omlijnd en lieten weinig ruimte voor eigen gedachten. Toch waren er momenten waarop herinneringen door de muren heen wisten te sijpelen. ’s Avonds, wanneer de lampen doofden en alleen het fluisteren van kinderen overbleef, kwamen de beelden van thuis terug – flarden van een ander leven, nauwelijks een jaar geleden.

Geertje dacht vaak aan hun ouderlijk huis in de Passeerder Dwarsstraat. Het was eigenlijk een krot, maar het rook er naar vader die aan zijn kleerkamerstafel zat, en naar moeder die soep maakte van wat er voorhanden was. Ze zag voor zich hoe het licht door het kleine raam viel, hoe ze samen bij de kachel zaten op koude dagen. Het was armoedig, maar het was van hen. Net zo als in die andere woninkjes in de Jordaan. 

Hendrika herinnerde zich vooral kleine gebaren. De hand van haar vader die haar over haar haar streek. Het zingen van een psalm, zachtjes, voordat ze naar bed gingen. Ze fluisterde die regels soms voor zichzelf, heel stil, onder de deken. Het gaf haar een gevoel dat hij nog altijd dichtbij was.

Willem had andere herinneringen. Hij dacht terug aan de zware dagen dat zijn vader, al ziek en verzwakt, probeerde door te werken. Hoe hij probeerde sterk te blijven, ook toen het duidelijk werd dat de dood nabij was. Na zijn overlijden was er niets meer. Geen geld, geen zekerheid, geen toekomst. Alleen de kerk bood nog een uitweg.

Het verschil met het weeshuis was groot. In huis waren ze arm, maar vrij. Ze konden naar buiten wanneer ze wilden, naar de markt lopen, kijken naar de boten op het IJ. In het weeshuis bepaalden de regenten en opzichters alles. Vrijheid bestond er niet.

Soms vertelde Willem zijn zusjes een verhaal uit hun vroegere leven. Hij beschreef hoe hun vader in de zomer mee naar de Jordaan nam om vis te kopen, hoe ze langs de drukke kramen liepen, hoe de stad rook naar pek, teer en vers brood. Geertje en Hendrika luisterden ademloos, alsof hij hen even wegvoerde uit de muren van het weeshuis.

Maar het verleden was gevaarlijk om te koesteren. Teveel herinneringen maakten de pijn groter. Daarom spraken de kinderen er alleen in het geniep over. Overdag hielden ze hun gedachten verborgen, alsof ze bang waren dat zelfs hun herinneringen hen afgenomen konden worden.

Toch, diep in hun hart, leefde de overtuiging dat ze meer waren dan weeskinderen in uniform. Ze waren kinderen van Jan en Vennegien, kinderen van Amsterdam, met een verleden dat hen niet kon worden uitgewist.

Voorbereid op de toekomst

Het Diaconie Weeshuis was niet alleen een opvangplaats; het was ook een fabriek van toekomstbeelden, zorgvuldig vormgegeven door de regenten. Voor elk kind lag er een pad uitgestippeld – geen pad van dromen, maar van plicht.

De meisjes werden voorbereid op een toekomst als dienstmeisje, naaister of huishoudster. Geertje, met haar vaste hand bij het naaien, viel de opzichters positief op. “Een ijverige, nette meid,” werd er gefluisterd, alsof ze al beoordeeld werd voor een toekomstig huishouden. Hendrika had meer moeite zich aan te passen. Ze was dromerig, soms ongehoorzaam, en moest vaak bijgestuurd worden. Voor haar lag waarschijnlijk een toekomst in zwaar huishoudelijk werk te wachten, bij een gezin dat niet om haar zachtheid zou geven maar om haar arbeid.

Voor de jongens, zoals Willem, was er het vooruitzicht van een ambacht. Houtbewerking, werk in de pakhuizen, of dienst als knecht bij een koopman. Het weeshuis zorgde ervoor dat zij discipline leerden, gehoorzaamheid en hard werken. Talent of ambitie speelden nauwelijks een rol. Een jongen die kon lezen en schrijven was nuttig, maar een jongen die kon zwijgen en gehoorzamen werd geprezen.

Willem dacht vaak na over zijn toekomst. Hij wilde méér dan gehoorzamen, méér dan een verlengstuk zijn van andermans plannen. Toch hield hij zijn gedachten voor zichzelf. Hij wist dat het gevaarlijk was om te veel te verlangen buiten de muren van het weeshuis.

De regenten zagen het weeshuis als een vorm van weldadigheid: de kinderen kregen voedsel, kleding en een dak boven hun hoofd. Maar voor de wezen zelf voelde het soms als een tussenstation, een wachtruimte waar ze werden gevormd, gesnoeid en uiteindelijk uitgezonden in de wereld – niet als vrije zielen, maar als goedkope arbeidskrachten.

Toch waren er ook momenten van hoop. Een enkele regent sprak bemoedigend, een opzichter liet een vriendelijk woord vallen. En onderling, in het gefluister van de slaapzalen of de stille blikken op de binnenplaats, hielden de kinderen vast aan het idee dat ze ooit het weeshuis zouden verlaten. Dat ze, hoe zwaar ook gevormd door tucht en armoede, hun eigen leven zouden leiden.

Voor Willem, Geertje en Hendrika was die hoop de drijvende kracht. Het weeshuis zou hen misschien hun jeugd ontnemen, maar niet hun verlangen naar een toekomst buiten de muren.

Het Diaconie Weeshuis bleef tot 1888 bestaan. Meer dan twee eeuwen lang waren er generaties kinderen geweest die er hun jeugd hadden doorgebracht: vaderloos, moederloos, maar niet zonder toezicht en tucht. De hoge gevel aan de Amstel had ontelbare kinderstemmen gehoord, maar ook tranen en stil verdriet gedragen.

Voor Willem, Geertje en Hendrika La Grouw was het weeshuis slechts een tussenstation in hun levensloop. Zij verlieten het huis op verschillende momenten, ieder met hun eigen pad. Hun toekomst was niet die van vrijheid of weelde, maar van arbeid, dienstbaarheid en eenvoud – zoals het gros van de Amsterdamse wezen in de negentiende eeuw. Toch was er in hun onderlinge band iets dat hen overeind hield: de herinnering aan hun ouders, de gedeelde ervaring van verlies en de wil om ondanks alles verder te gaan.

Wanneer men later terugdacht aan het Diaconie Weeshuis, sprak men vaak over liefdadigheid en zorg. Maar achter die woorden school een harde werkelijkheid: karige maaltijden, strenge discipline, en een jeugd die grotendeels in het teken stond van gehoorzaamheid en arbeid. Het bood bescherming, maar nam ook vrijheid weg.

In 1888 sloten de deuren van het weeshuis definitief. Het gebouw verloor zijn functie, maar in de levens van hen die er hadden gewoond, bleef het bestaan – als een stempel, zichtbaar of onzichtbaar, dat hen hun hele verdere leven zou vergezellen.

En zo bleven de verhalen van kinderen als Willem, Geertje en Hendrika voortleven, niet in archieven of notulen alleen, maar ook in herinneringen, in gefluisterde woorden bij het krib, en in de kracht waarmee zij de wereld buiten het weeshuis tegemoet traden.

Tot slot

Bovenstaand verhaal is een deels fictief verhaal. De namen van de genoemde kinderen zijn echter niet gefingeerd: Willem, Geertje en Hendrika La Grouw.

De kinderen van Johannes La Grouw werden na zijn overlijden in 1831 opgenomen in het Diaconie Weeshuis der Hervormde Gemeente Amsterdam. Willem, Geertje en Hendrika, toen respectievelijk 16, 14 en 10 jaar oud. Zij waren bij lange na niet de enige Amsterdamse kinderen die zonder ouders kwamen te zitten. Amsterdam telde in de negentiende eeuw veel weeshuizen. Dat waren naast het Diaconie Weeshuis onder andere het Burgerweeshuis, Maagdenhuis, het Engelsche Weeshuis, Luthers weeshuis, Aalmoezeniersweeshuis en het Jongens weeshuis. Het was wezenzorg die vooral uitgeoefend werd vanuit de kerkelijke liefdadigheid. werden na het overlijden van hun vader in 1831 opgenomen in het Diaconie Weeshuis.

Willem werd uiteindelijk korendrager en overleed in 1889. Geertje overleed al jong, zij werd 19 jaar. Hendrika trouwde niet en was als dienstmeid werkzaam bij diverse families in Amsterdam. Uiteindelijk overleed zij in 1904, 83 jaar oud.

Willem is mijn overover-grootvader. In 1855 werd zijn zoon Willem geboren, die later trouwde het Johanna van Deventer. Uit dit huwelijk werd uiteindelijk in 1892 mijn oma geboren. Bets. Bets La Grouw.

Loading

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *