Maria schepte water uit vuile stinkende grachten….

De waterleiding; een wonderbaarlijke uitvinding

 

Goudsbloemgracht 1850. Tekening W. Hekking

De Kolksteeg was smal, donker en benauwd. Wie er woonde, wist dat de stank nooit helemaal weg te krijgen was. Achter elk huis lag een beerput, gevuld met afvalwater, menselijke uitwerpselen en alles wat men niet anders kwijt kon. De planken eroverheen hielden de ergste aanblik tegen, maar de lucht dreef door de steeg. Maria Jesse, geboren in 1817, kende het niet anders. Toen ze in 1842 trouwde met korendrager Willem La Grouw, betrok het jonge echtpaar een woning in de steeg, nummer 642. Ze zou er tien kinderen baren, van wie er drie op jonge leeftijd zouden sterven.

Water halen was een dagelijks terugkerende zorg. Maria droeg de houten emmer naar de pomp of schepte uit de gracht. Het water was vaak troebel, soms zelfs vettig, maar er moest mee gekookt, gewassen en gedronken worden. Ze wist hoe vaak de kinderen ziek werden: koorts, diarree, soms niet meer te redden. Buurvrouwen fluisterden over cholera, een ziekte die hele gezinnen wegvaagde. De beerputten hielpen niet mee: allerminst waterdicht, ze lekten naar het grondwater. En wanneer de schepkar langskwam om een put te legen, verdween de stinkende lading meestal in de gracht, waar al urine, afval en zelfs dode dieren ronddreven.

Willem kwam moe thuis van zijn werk bij het lossen van schepen, zijn kleren vol stof en korenresten. Maria naaide in de avonden, zolang het ging met zoveel kinderen. Maar in stilte vroeg ze zich af hoe lang haar gezin gezond zou blijven.

Waterleiding

Portret van Jacob van Lennep, ca. 1853.Bron Stadsarchief Amsterdam/A.J. Ehnle

Rond 1850 klonk er opeens nieuws dat bijna te mooi was om waar te zijn. Schrijver Jacob van Lennep en enkele andere heren hadden plannen gemaakt om schoon drinkwater naar Amsterdam te brengen, rechtstreeks uit de duinen bij Bloemendaal. Men sprak van een waterleiding, een wonderlijke uitvinding die het vuile grachtenwater zou vervangen. Willem haalde zijn schouders op. “Dat zal wel voor de rijken zijn,” zei hij. Maar Maria luisterde gretig. Als er ook maar een kans bestond dat hun kinderen sterker konden worden, wilde ze die grijpen.

In 1851 werd de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij opgericht. En twee jaar later gebeurde het ondenkbare: bij de Haarlemmerpoort kwam een tappunt waar men, voor één cent per emmer, helder duinwater kon halen. Het was een gebeurtenis die de stad in beroering bracht. Maria herinnert zich nog levendig hoe ze met haar eigen emmer de tocht maakte, de poort voor zich, het rijtje mensen dat stond te wachten. Toen ze het water opschepte, zag ze de zon glinsteren in de emmer. Geen troebelheid, geen stank. Het rook fris, bijna naar zee.

Die avond kookte ze soep voor haar gezin. Het rook anders, schoner. Ze zag hoe de kinderen aten, met een eetlust die ze lang niet had gezien. Het leek een klein wonder. Voor het eerst voelde Maria dat de stad, die altijd zo hard en onbarmhartig was geweest, ook iets goeds kon geven.

Beerputten

De voordeelen der Duin Waterleiding (1854)

Niet lang daarna verhuisde het gezin naar het Prinseneiland, een smalle strook tussen de Oostelijke Handelskade en het water van de Wittenburg- en Kattenburgervaart. Hier woonden veel scheepslieden en arbeiders; de huizen waren klein, de stegen nauw. De beerputten waren nog altijd een dagelijkse realiteit, maar het uitzicht over het water bood een gevoel van ruimte dat de Kolksteeg nooit had gehad. Maria ging dagelijks naar de waterputten in de buurt, maar nu waren sommige bewoners al begonnen met het kopen van duinwater. Ze merkte het verschil onmiddellijk: de kinderen kregen minder snel diarree, en de stinkende dampen leken minder drukkend.

Willem bracht koren aan en ging vaak het water over om schepen te bevoorraden. Maria liep met de kinderen langs de kades, vaak naar de buurvrouw die een emmer water voor haar had gehaald bij de Haarlemmerpoort. Op zondag werden de kinderen in een schone emmer gewassen, een luxe die voorheen nauwelijks denkbaar was. De komst van schoon water gaf hoop. De stad leek langzaam te ademen, alsof het eindelijk begonnen was met een schonere toekomst.

Later, in de Korendragersgang, voelde Maria de stad zich nog nauwer om haar heen sluiten. De steegjes waren smal en de huizen dicht op elkaar gebouwd. Hier woonden veel korendragers, zoals Willem, en hun gezinnen. De beerputten stonden vaak midden op de binnenplaats, en de lucht was drukkend, vooral in de zomer. Maar inmiddels waren er al enkele huizen met waterleidingen, een sprankje vooruitgang dat Maria elke dag zag. Ze vertelde de jongere buren over de eerste emmers schoon duinwater bij de Haarlemmerpoort, over hoe het hun leven een klein beetje had veranderd.

Het leven bleef zwaar, met verlies en zorgen, maar de komst van waterleidingen was een tastbaar teken dat verandering mogelijk was. Maria voelde dat haar kinderen een betere kans kregen om te overleven en op te groeien in een gezondere omgeving. Het was niet rijkdom die hen zou redden, maar een klein straaltje helder water dat een hele generatie een nieuwe start gaf.

Korte toelichting bij Maria Jesse en het water van Amsterdam

Hygiëne en volksgezondheid in 19e-eeuws Amsterdam

In de eerste helft van de 19e eeuw waren de levensomstandigheden in de stad vaak slecht. Beerputten waren niet waterdicht en leidden tot verontreiniging van het grondwater. Afval en uitwerpselen belandden vaak in de grachten, waardoor ziektes zoals cholera, tyfus en diarree wijdverspreid waren. Kindersterfte was hoog.

De Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij (1851)

Initiatiefnemer Jacob van Lennep speelde een belangrijke rol bij de oprichting van het eerste Amsterdamse drinkwaterbedrijf. Het doel was schoon duinwater uit de omgeving van Bloemendaal en Zandvoort naar de stad te brengen.

Het eerste tappunt bij de Haarlemmerpoort

Bij de Haarlemmerpoort konden Amsterdammers voor één cent per emmer schoon water halen. Het water werd met pompen naar de stad getransporteerd en bood een alternatief voor het vervuilde grachtwater.

Aanleg van waterleidingen naar woningen

Vanaf 1854 begonnen nieuwe huizen waterkranen te krijgen. Oude huizen volgden geleidelijk. Pas vanaf de jaren 1880 werd er systematisch riolering aangelegd en kreeg de stad een planmatige drinkwatervoorziening.

Impact op het dagelijks leven

Schoon water verminderde de verspreiding van ziekten en verbeterde de hygiëne in huishoudens. Gezinnen zoals dat van Maria Jesse merkten direct verschil in gezondheid en levensomstandigheden.

Maria Jesse was de dochter van Coenraad Jesse en Maria Gussenaar. Zij werd geboren op 24 januari 1817 in Amsterdam en ontmoette – misschien ergens op straat, in een steeg of winkel – Willem La Grouw. Zij trouwden op 3 augustus 1842. Al gauw kwam het eerste kind, Willem, in 1843. Er volgden nog negen kinderen. Drie van hen, onder wie Willem, stierven al jong. 

Maria moet ongetwijfeld een zwaar leven hebben gehad. Armoede, krotwoningen, ziektes…..Uiteindelijk overleed zij op 63-jarige leeftijd. 

Loading

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *