Bloemist in een veranderende stad
Amsterdam, 1883
Amsterdam, tweede helft negentiende eeuw. De stad gonst van bedrijvigheid: scheepvaart, handel, nieuwe fabrieken en de aanleg van spoorwegen veranderen het stadsbeeld in hoog tempo. Maar tussen het rumoer van paarden, handkarren en straatventers is ook een zachter geluid te horen: het geritsel van bladeren, het ritselen van papier om kamerplanten, en de geur van aarde. Dat was de wereld van Ger – Gerrit Hendrik – de Kruijf, geboren in 1853, zoon van een metselaarsknecht.
Bloemist in een veranderende stad
Toen Ger zich in Amsterdam vestigde, was het beroep “bloemist” nog iets anders dan wij vandaag zouden denken. Geen moderne winkel vol kleurige boeketten, maar een mengeling van marktkoopman, kweker en handelaar in kamerplanten. Verse snijbloemen in huis waren in de jaren 1860 en 1870 nog zeldzaam, een luxe die slechts welgestelden zich af en toe veroorloofden. Kamerplanten daarentegen – varens, palmen, en eenvoudige bloeiers als geraniums en begonia’s – waren in opkomst. Ze gaven de grauwe huurwoningen en bovenhuizen iets levendigs, en zelfs arbeidersgezinnen spaarden soms voor een potplant bij het raam.
De Bloemenmarkt aan de Munt, toen nog drijvend op schuiten in de Singel, was het hart van dit alles. Kooplieden prezen hun waren luid aan, schippers uit Aalsmeer en omliggende dorpen meerden aan met karren vol planten en zaden. In de vroege ochtend – vaak nog vóór het eerste licht – was Ger daar te vinden. Hij stond tussen andere mannen met ruwe handen en aarde onder de nagels, maar ook tussen deftiger handelaren die speculeerden in bloembollen. Het was een bont gezelschap, dat wedijverde om klanten: winkelhouders, rijke dames met een dienstmeid die de planten droeg, maar ook gewone Amsterdammers die zich één enkele varen konden veroorloven.
Huwelijk en gezin

In deze stad leerde Ger Hendrika Susanna Katté – Hendrikje – kennen, een acht jaar oudere dienstbode. Hun ontmoeting was waarschijnlijk eenvoudig: zij liep geregeld langs de kramen om een plantje voor haar werkgeefster te kopen, of misschien huurden ze kamers in dezelfde buurt. In 1879 trouwden ze. Het paar betrok verschillende woningen in Amsterdam: van de Marnixstraat naar de Nieuwendijk, en later de Haarlemmerweg. Telkens weer sjouwden ze hun bescheiden huisraad door de stad, zoekend naar betere omstandigheden en betaalbare huur.
Hun eerste dochter, Corry – Cornelia Huberta -, werd in 1880 geboren. Hendrikje moest al snel weer meedraaien in het huishouden, terwijl Ger vroeg de deur uitging voor de markt. Daarna volgden dochter Hendrika Susanna – Hendrikje – (1884) en zoon Evert (1886). Het gezin leefde niet in weelde, maar ook niet in de diepste armoede. Als bloemist had Gerrit een onzeker maar veelzijdig inkomen: hij verkocht op de markt, bezorgde planten bij klanten, en verzorgde soms ook binnentuinen en serres voor de beter gesitueerden.
Het dagelijks leven
De dagen begonnen vroeg. Vaak zat Ger in alle vroegte op een krukje bij zijn waar, wachtend tot de eerste klanten kwamen. In de winter was dat zwaar werk: koude vingers, planten die beschermd moesten worden tegen de vorst, natte straten waar de modder aan de klompen bleef kleven. In de zomer daarentegen was er levendigheid en vrolijkheid. Dan stonden de Singel en het Muntplein vol met geuren en kleuren: rozen, hortensia’s, hyacinten. Het geroezemoes van kooplui, de roep van straatjongens en het ratelen van karren maakten er een levendig schouwspel van.
Thuis wachtte Hendrikje. Zij hield toezicht op het huishouden en de kinderen, en deed soms zelf kleine bijverdiensten, zoals wassen of naaien voor buurtbewoners. Het leven was eenvoudig: kolenkachels, water halen bij de pomp, buren die elkaars kinderen in de gaten hielden. De kinderen groeiden op tussen stoepen vol spelende jeugd en de geur van aarde die Ger altijd meebracht op zijn handen en kleren.
Een veranderende tijd
Aan het eind van de negentiende eeuw begonnen snijbloemen steeds populairder te worden. Nieuwe kassenbouw en de opkomst van veilingen in Aalsmeer zorgden voor een stroom van verse bloemen naar Amsterdam. Ger maakte dit mee – misschien aarzelend, want zijn vak veranderde. Waar vroeger kamerplanten de hoofdzaak waren, vroegen klanten nu steeds vaker om bossen rozen of tulpen voor in de vaas.
Toen Ger in 1914 stierf, liet hij zijn kinderen een wereld na die snel moderniseerde. Zijn beroep, ooit een mengeling van traditie en handwerk, was veranderd in een bloeiende industrie. De Bloemenmarkt zou blijven bestaan, maar de handel zou steeds professioneler en internationaler worden.
Voor zijn gezin bleef echter vooral de herinnering bestaan aan een man die dag in dag uit met bloemen en planten in de weer was, die met vuile handen maar met trots het huis binnenkwam, en die een leven lang verbonden bleef aan de geur van aarde en groen.
Het gezin van Ger en Hendrikje:
Gerrit Hendrik De Kruijf, geb. Driebergen 18 april 1853, Bloemist, † Watergraafsmeer 23 juni 1914, zn. van Evert en Cornelia Huiberta Van Soest, tr. Amsterdam 14 mei 1879 Hendrika Susanna Katté, geb. Amsterdam 6 dec. 1845, † ald. 20 okt. 1918, dr. van Johannes Jacobus en Susanna Appels.
Uit dit huwelijk:
1. Cornelia Huberta de Kruijf, geb. Amsterdam 16 maart 1880, tr. Sloten 19 dec. 1907 Gerrit Bouwer.
2. Hendrika Susanna de Kruijf, geb. Amsterdam 18 juni 1884.
3. Evert De Kruijf, geb. Amsterdam 25 okt. 1886, † 27 febr. 1967, tr. Sloten 1 mei 1914 Theresia Elisabeth La Grouw, geb. 22 maart 1892, † 20 okt. 1982, dr. van Willem en Johanna E. van Deventer.
![]()