Voor de ganse jeugd vakantievreugd…
Het was de slogan van de SIVA, de Stichting Schoolkind in Vakantietijd Amsterdam. En ik kan me die woorden nog horen zingen, ergens achteraan in de rij kinderen op het grasveld aan de Jan van Galenstraat. Een onderwijzer, die vrijwillig zijn zomervakantie had opgeofferd, hief de vlag, en wij brulden het refrein alsof het een volkslied was. Voor de ganse jeugd vakantievreugd – het klonk alsof heel Amsterdam bij ons kamp hoorde.
Voor kinderen zoals ik, opgegroeid in een buurt waar vakantie een onbereikbaar begrip was, bood SIVA een uitkomst. Mijn moeder betaalde een paar gulden voor drie weken kamp. Alleen boterhammen hoefde ik mee; de melk en limonade werden gul uitgeschonken uit glimmende tinnen kannen. Het gaf mij het gevoel dat ik, net als de kinderen van wie de vaders een auto hadden, toch een echte vakantie beleefde.
Ik zie mezelf nog lopen, met mijn metalen broodtrommeltje onder de arm, langs de huizen van de Jan van Galenstraat, richting het veld bij de dijk. Eenmaal op het kampterrein rook ik gras, tentzeil en limonadepoeder. Een geur die ik altijd met zomer ben blijven associëren.
Westeroord
Lang voordat ik mijn eerste stappen zette op het kampterrein, bestond er al een traditie. In 1948 werd het eerste grote Amsterdamse vakantiekamp georganiseerd bij Westeroord, achter de Petroleumhaven. Het idee kwam voort uit bezorgdheid: te veel Amsterdamse kinderen groeiden op zonder kans om de stad te verlaten. De Amsterdamse afdeling van de Nederlandse Onderwijzers Vereniging besloot dat het anders moest. Voor een paar gulden kon een kind drie weken lang frisse lucht inademen en spelen in de natuur.
Duizend kinderen gingen in dat eerste jaar. Onderwijzers hielpen vrijwillig mee, de NS gaf korting op treinkaartjes, het GVB op tramtickets. Er werden inzamelingen gehouden, zodat tentdoek, banken en sportmateriaal bijeenkwamen.
Ik kende Westeroord alleen van horen zeggen, maar het was voor mij een mythische plek. Aan het kampvuur werd erover verteld door oudere jongens: hoe ze hutten bouwden in de duinen, hoe je ’s avonds onder de sterren lag en dacht dat je in een ander land was. Ik geloofde elk woord, en droomde ervan ooit zelf mee te mogen.
In de jaren vijftig groeiden de vakantiekampen uit tot een fenomeen. Overal in Amsterdam verrezen kampterreinen: bij de Hoofdweg, in Amsterdam-Noord, in het Amsterdamse Bos. Later gingen er zelfs reizen naar de Veluwe, met namen die klonken als beloftes: Renkum, Vierhouten, Blaricum, Nunspeet⁵.
Ik herinner me een rit naar IJmuiden, met de trein. Voor mij – een jongen die zelden verder kwam dan de Haarlemmerweg – was het een wereldreis. De trein ratelde, kinderen staken hun hoofden uit de ramen, en toen de zilte lucht onze neuzen bereikte, begonnen we te juichen. Het strand leek eindeloos. We holden door de duinen, lieten ons vallen in het zand en proefden het zout van de zee. ’s Middags aten we onze droge boterhammen, maar nooit smaakte brood lekkerder dan daar, met de golven op de achtergrond.
Wanneer het regende, kropen we in de grote tenten. Er werden spelletjes gedaan, verhalen verteld. Een keer zat ik naast een jongen uit de Transvaalbuurt. Hij vertelde dat hij nog nooit de zee had gezien. Die middag kon hij niet stoppen met lachen.
Een lange traditie
Die kampen van de jaren vijftig waren geen nieuw idee. Al lang daarvoor, in de eerste helft van de twintigste eeuw, waren er vakantiekolonies voor de zogenoemde ‘bleekneusjes’. Kinderen uit de volksbuurten, vaak ziekelijk door slechte voeding en gebrek aan frisse lucht, werden een week of langer naar buiten gestuurd.
In een krant uit 1919 lezen we bijvoorbeeld dat de vereniging Voor de Jeugd een schoolgebouw in Santpoort mocht gebruiken om 60 kinderen onder te brengen. Het gemeentebestuur van Velsen ging akkoord. Zo simpel was het toen nog: een school openstellen, strozakken neerleggen, en je had een vakantieoord.
Ook het Leger des Heils organiseerde in de jaren twintig kampen, net als de Vereeniging voor Volksweerbaarheid – al was die alleen voor jongens. De natuur was het geneesmiddel, de frisse lucht de dokter.
Uchelen, Renkum en verder
Na de oorlog kwamen er steeds meer kampen. In Uchelen bij Apeldoorn konden honderden Amsterdamse kinderen ademhalen in bossen die ritselden van vogels. In Renkum vond ik later zelf mijn weg: wandelingen over zandpaden, spelen in het hoge gras, het gevoel dat je in een wereld was waar vaders en moeders, werk en armoede even niet bestonden. Alleen wij, kinderen, met onze boterhammen en bekers melk⁰.
Soms denk ik dat die eenvoud – lopen, spelen, ontdekken – een van de mooiste geschenken van mijn jeugd is geweest.
Het landelijk netwerk
De SIVA was niet de enige organisatie. Overal in Nederland ontstonden initiatieven: het Landelijk Comité Kinderuitzending, vakantiekoloniehuizen langs de Noordzeekust, op de Veluwe, in Drenthe en Zeeland¹¹. Elk dorp leek wel een schoolgebouw of pension beschikbaar te stellen voor stadsjeugd die even moest opknappen.
Wie kent niet de Bio-vakantieoorden? Voor elke bioscoopvertoning ging de collectebus rond, met een rinkelend belletje eraan. Dankzij die munten konden kinderen naar Bergen aan Zee, het Russenduin, waar de wind altijd harder leek te waaien en de lucht schoner was dan in de stad¹².
Bleekneusjes, stadskinderen
Wij werden de bleekneusjes genoemd, en misschien was dat ook zo. Maar in die kampen kregen we kleur. We renden door bossen, zongen bij kampvuren, voelden zand tussen onze tenen. Het waren geen luxe vakanties – onze boterhammen waren vaak droog, het bed hard, en we verlangden soms naar thuis. Maar we kregen iets mee dat geen gulden waard was: het gevoel dat de wereld groter was dan de straat waar je geboren was.
Ik geloof dat de slogan van SIVA waar was, meer dan waar: voor de ganse jeugd vakantievreugd. Het was onze jeugd, en het was vreugd.
Bronnen:
Wikipedia
Archief Amsterdam
Delpher
Biovakantieoord
Historiek.net
Beeldbank Amsterdam
![]()


