Golf van schaamte in het interneringskamp

Blijdschap en angst na de bezetting

Amsterdam, 4 juni 1945

Het interneringskamp aan de Levantkade in Amsterdam.

De stad rook naar vrijheid, maar in de Jan van Galenstraat heerste angst. De haat tegen NSB’ers was nog altijd enorm. Een marechaussee overleed in Zeeland toen een woedende menigte twee NSB-vrouwen belaagde. Het is één van de vele voorbeelden van de volkswoede tegen ‘foute’ Nederlanders. De deurbel klonk hard die maandagochtend. Annie opende, met kleine Leo op haar arm. Buiten stonden twee mannen, gewapend met papieren en korte bevelen.

“Uw naam?”
Leo stapte naar voren en gaf zijn naam. Hij droeg een eenvoudig pak, de haren netjes gekamd. Zijn blik gleed naar Annie, die wist dat tegenspreken zinloos was. “Zakmes en tien gulden,” zei een bewaker, toen hij hem fouilleerde. Meer had hij niet bij zich. Annie probeerde zijn hand nog vast te houden, maar Leo werd meegevoerd. Dat hij zijn NSB lidmaatschap al begin 1944 had opgezegd telde niet. Ook niet dat hij een radio van de buren in zijn eigen woning had verborgen.

Zijn eerste bestemming was de Amaliaschool, tijdelijk ingericht als verzamelplaats voor ‘foute Nederlanders’. Daar waren de gangen gevuld met rumoer: mannen die hun onschuld riepen, mannen die stil in een hoek zaten, anderen die nog fel de Hitlergroet brachten.

Na enkele weken werd hij overgebracht naar de Levantkade. De voormalige opslagloodsen, met uitzicht op het IJ, waren omgevormd tot interneringskamp. De poort sloeg achter hem dicht, en een golf van schaamte ging door hem heen toen hij door de straten van het kamp liep.

“Daar gaat er weer één,” fluisterden voorbijgangers buiten de hekken.
Binnen werd hij kaalgeschoren. Hij kreeg een grof linnen uniform, en een plek op een met stro gevulde brits in een barak waar vijftig mannen sliepen. De geur van zweet, nat stro en wanhoop hing er zwaar.

’s Nachts hoorde hij gefluister.
“Hoe lang denk je dat we vastzitten?”
“Tot de tribunalen klaar zijn. Jaren misschien.”
“Of ze schieten ons gewoon allemaal neer.”

Leo draaide zich om, trok de dunne deken over zich heen en dacht aan Annie. Hij schreef haar die week zijn eerste brief:

“Lieve An, ik maak je geen zorgen. Het valt mee hier. We krijgen eten, al is het karig. Ik mis jou en de jongens verschrikkelijk. Houd moed. Eens moet ik toch vrijkomen.”

Maar in werkelijkheid waren de dagen lang en vernederend. Tijdens appèl stonden de mannen uren in de regen, met de handen op de rug. Bewakers lieten hen zingen: psalmen, of juist spotliederen. Een enkeling werd geslagen, soms zonder reden.

Toch waren er ook momenten van menselijkheid. In de barak sprak Leo met een man uit Utrecht, een bakker die had bekend lid te zijn geweest “uit domheid”.
“Ze zeiden dat er brood en werk zou komen,” mompelde hij. “En ik geloofde het.”
Leo knikte. “Ik ook. Ik dacht dat ik iets goeds deed.”
Ze zwegen, want woorden konden het verleden niet uitwissen.

Het interneringskamp Levantkade was een van de beruchtste opvangplaatsen voor NSB’ers en collaborateurs in de zomer van 1945. Het kamp bevond zich in de oude pakhuizen en loodsen aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. De omstandigheden waren primitief: overvolle barakken, slechte hygiëne en karig voedsel. Gevangenen werden kaalgeschoren en vaak publiekelijk vernederd wanneer ze het kamp in- of uitgingen.

Gevangenen bekleden hun slaapplaatsen met stro in de oude loods—een direct tastbare indruk van de omstandigheden die Leo zelf meemaakte.

Er verbleven duizenden mannen tegelijk, in afwachting van verhoren en rechtszaken. De sfeer was gespannen: velen vreesden zware straffen of zelfs de doodstraf. Tegelijk waren er ook talloze ‘kleine leden’, zoals Leo, die slechts administratief lid waren geweest. Voor hen was het verblijf vaak een periode van eindeloze onzekerheid.

Op weg naar de Noordoostpolder

Najaar 1945. De zomerzon had plaatsgemaakt voor natte dagen en een gure wind. Leo werd met een groep mannen in een vrachtwagen geladen en urenlang vervoerd over hobbelige wegen, totdat ze in een eindeloze vlakte terechtkwamen: de Noordoostpolder. Het kamp lag bij de Zwolsche Vaart, een kanaal dat als transportader door de kale polder liep.

“Uitstappen!” klonk het bevel.
De lucht rook naar natte klei en slootwater. De mannen zagen houten barakken, laag en tochtig, met prikkeldraad eromheen. Hier zouden ze de winter doorbrengen.

Het werk begon de volgende dag. Met schop en kruiwagen moesten ze sloten uitdiepen en dijken ophogen. Het land was drassig; laarzen zogen vast in de modder. Leo’s handen, gewend aan pen en papier van de Kamer van Koophandel, werden ruw en gescheurd.

Tijdens een korte pauze zat hij naast een andere man, een leraar uit Den Haag.
“Het is zwaarder dan ik dacht,” hijgde de leraar.
“Zwaarder dan straf,” antwoordde Leo. “Maar misschien is dit juist de straf.”
De leraar zweeg en keek naar de horizon. Daar was niets te zien, alleen leeg land.

De avonden in de barak waren niet veel beter. Vijftig mannen in een houten ruimte, de wind die door de kieren floot, het stro dat muf en vochtig werd. Toch ontstond er een soort kameraadschap. Sommigen zongen zacht een lied, anderen vertelden verhalen over vroeger. Leo schreef:

“Lieve An, de dagen zijn zwaar. Ik kom doodmoe binnen, maar dan denk ik aan jou en de jongens. Dan weet ik waarvoor ik het volhoud.”

Soms ontstonden verhitte discussies.
“Wij worden hier behandeld als beesten!” riep een jonge man die zijn lidmaatschap nooit had verloochend.
“Hou je mond,” zei een oudere. “We hebben dit zelf gezocht. We hadden beter moeten weten.”
Leo luisterde, maar mengde zich niet. Zijn spijt was te groot, zijn stem te klein.

Straf en nuttig werk

Het kamp Zwolsche Vaart in de Noordoostpolder was één van de werkkampen waar politieke delinquenten naartoe werden gestuurd. Het werd in de zomer van 1945 ingericht in barakken die eerder door arbeiders of onderduikers waren gebruikt.

De gevangenen werden ingezet bij de ontginning van de polder: het graven van sloten, onderhoud van dijken, bouwen van wegen. Het werk was zwaar en eentonig, uitgevoerd onder vaak barre weersomstandigheden. Het doel was dubbel: straf én nuttig werk voor de wederopbouw.

De omstandigheden waren primitief, maar iets minder chaotisch dan in de eerste opvangkampen (zoals de Levantkade). De grootste last was de combinatie van lichamelijke uitputting en onzekerheid: men wist niet hoe lang men vast zou blijven.

Naar Barka

Eén van de barakken van kamp Barka in Harlingen.

Eind november 1945. Een koude wind dreef over de Waddenzee toen Leo aankwam in kamp Barka, net buiten Harlingen. Het kamp was tijdens de bezetting door de Duitsers gebruikt, en de houten barakken waren nauwelijks aangepast. Ze stonden schuin in de klei, krakend in de wind, met smalle ramen en dunne muren.

Leo werd in kamer 10 geplaatst in barak 2, samen met een aantal andere mannen. De strozak was klam, de deken dun. ’s Nachts hoorde je het gehijg van de wind door de kieren, en het gekreun van mannen die niet konden slapen.

Overdag waren er corveetaken: hout hakken, schoonmaken, sjouwen. Maar de grootste last was het nietsdoen – het wachten. Wachten op een proces, een verhoor, een kans om je verhaal te vertellen.

Leo schreef lange brieven aan Annie. Hij probeerde de toon luchtig te houden, alsof alles wel meeviel, maar tussen de regels las zij de wanhoop:

“Ik heb in die eerste maanden geleerd voor mijzelf te zorgen. De verzorging die jij mij gaf viel weg, en ik stond er alleen voor. Maar An, weet dat ik veranderd ben. Ik heb spijt van wat ik deed. Het enige wat mij op de been houdt ben jij – jij en de kinderen.”

Mededeling in de krant: Familieleden mochten onder strikte voorwaarden een bezoekje brengen aan de gevangenen.

In de barak waren ook momenten van onverwachte nabijheid. Tijdens een koude decemberavond deelde een medegevangene, een boerenzoon uit Groningen, een stuk brood dat hij van thuis had gekregen.

“Hier, neem,” zei hij.
“Maar dat is voor jou zelf,” antwoordde Leo.
“Jij hebt ook honger. En je hebt kinderen thuis. Denk daaraan.”

Zo groeide er, in al die ellende, een broze solidariteit.

Kamp Barka bij Harlingen was na de oorlog een van de interneringskampen in Friesland. Het kamp had tijdens de bezetting onderdak geboden aan dwangarbeiders en krijgsgevangenen, en werd in 1945 omgebouwd voor de opvang van NSB’ers en collaborateurs.

De omstandigheden waren sober: houten barakken, slechte verwarming, gebrekkige voeding. Het regime was minder chaotisch dan in de eerste maanden na de bevrijding, maar psychologisch zwaar. De meeste gevangenen zaten maandenlang zonder duidelijkheid over hun straf of vrijlating.

Het wachten was het meest slopend: men leefde in onzekerheid, afgesloten van de samenleving. Veel gevangenen schreven brieven naar huis waarin zij hun spijt uitten, soms ook om hun gezin te ontzien.

Het verhoor

Op 6 juni 1946 mocht Leo eindelijk zijn verklaring geven. In een kale kamer zat hij tegenover een commissie.
“Waarom werd u lid van de NSB?”
Leo haalde diep adem. “Omdat ik dacht dat het beter zou worden. Voor de arbeiders, voor de werklozen. Ik was naïef. Ik heb nooit actie gevoerd, nooit haat gezaaid. Maar ik ben schuldig, want ik had beter moeten weten.”

Hij voelde hoe de woorden uit hem vloeiden – eenvoudiger dan gedacht. Een jaar wachten had hem uitgeput, maar ook voorbereid.

Twee weken later, op 22 juni 1946, kwam de beslissing: ontslag van rechtsvervolging, alleen een boete van honderd gulden. Toen hij door de poort naar buiten liep, de vrijheid tegemoet, rook hij voor het eerst weer de zilte lucht van de zee.

22 juni 1946

De poort van kamp Barka zwaaide open. Leo liep naar buiten, zijn blik gericht op de dijk waarachter de zee lag. De lucht was fris, de vrijheid onwerkelijk. Hij had niets bij zich behalve een dun bundeltje kleren en het bevel dat hij een boete van honderd gulden moest betalen. Toch voelde hij zich lichter dan in maanden.

Een paar dagen later stond hij weer voor de deur van zijn huis aan de Jan van Galenstraat. Annie deed open. Een moment lang keken ze alleen maar naar elkaar, alsof woorden tekortschoten. Toen omhelsden ze elkaar, stevig, alsof ze wisten dat er een stuk van hun leven onherstelbaar verloren was gegaan – maar dat er ook iets nieuws kon beginnen. De kinderen, Evert en Leo, stonden verlegen achter hun moeder, maar toen Leo zich bukte, stormden ze op hem af.

De eerste weken waren vreemd. Buren keken weg of fluisterden als hij voorbijkwam. Sommigen knikten kort, anderen draaiden hun hoofd. Voor Annie en de kinderen was er opluchting, maar ook schaamte. Leo zelf voelde de blikken, en soms dacht hij: “Zien ze in mij de vader, of de landverrader?”

Toch wist hij zich staande te houden. Hij solliciteerde bij de firma Knegt en Zn, en werd aangenomen. Daarnaast pakte hij een oude liefhebberij op: schrijven. In de avonden zat hij aan de keukentafel, terwijl de kinderen sliepen, en schreef sportartikelen voor de krant. Over voetbal, over wedstrijden, over de vreugde van het spel. In die woorden vond hij iets van normaliteit terug.

In zijn brieven aan Annie uit de kampen had hij vaak geschreven: “Eens zal de zon weer schijnen.” Nu gebeurde dat voorzichtig. Na moeilijke jaren begon er weer ruimte te komen voor plannen – een auto, een vakantie, een toekomst. Het verleden bleef echter als een schaduw over hen hangen. Leo sprak er niet vaak over, maar de kampen hadden zijn lichaam en geest getekend.

Terug naar de samenleving

Na hun vrijlating uit de interneringskampen keerden duizenden ex-NSB’ers terug naar de samenleving.⁵ Voor velen was dit een moeizaam proces. Zij kregen te maken met sociale uitsluiting, verlies van werk, en blijvende stigmatisering. De Bijzondere Rechtspleging zorgde ervoor dat zware gevallen – zoals actieve collaborateurs of leden van de Landwacht – werden veroordeeld tot gevangenisstraffen of zelfs de doodstraf.

Mannen zoals Leo, die enkel administratief lid waren geweest, werden vaak na maanden of een jaar internering vrijgelaten, soms met een boete of beroepsverbod. Toch waren de maatschappelijke gevolgen groot: verlies van vertrouwen, blijvende reputatieschade en vaak psychische littekens.⁶

De brieven die veel geïnterneerden aan hun gezinnen schreven zijn een belangrijke bron om inzicht te krijgen in hun innerlijke strijd. Ze laten spijt, schaamte, maar ook hoop en liefde zien – menselijke gevoelens in een tijd van oordelen en stigma.

Bronnen:

www.mijnfamilieverleden.nl

Voerman, Na de Bevrijding. Interneringskampen voor politieke delinquenten 1945–1948 (Amsterdam, 1995), p. 47–55.

Archief NIOD, collectie interneringskampen Levantkade, dossier 231Onderkant formulier

Hoving, De Noordoostpolder in opbouw, 1942–1950 (Lelystad, 1988), p. 201–208

de Haan, Friesland na ’45: Interneringskampen en Bijzondere Rechtspleging (Leeuwarden, 1997),

H. E. de Wit, De Fout in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam, 1983), p. 319–340.

NIOD, Archief Bijzondere Rechtspleging, inv.nr. 452, dossiers ex-NSB’ers.

Oorlogsbronnen nationaal archief.

Loading

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *